Dag 7: Akaba, terug naar Amman

Vanmiddag rijden we met de bus terug naar Amman, maar voor het zo ver is hebben we nog even tijd om Akaba te verkennen. Er is geen programma. Eén van de eerste dingen die opvalt als je door Akaba rijdt is een enorme vlag die ver boven alle huizen wappert. Hij lijkt op de vlag van Jordanië, maar volgens Usama is dat ‘m niet, maar is het de vlag van de Arabische Revolutie. Ik besluit een stukje te wandelen met de vlag als doel. Ik loop een route langs het openbare strand, waar het extreem druk is voor een donderdagochtend. Opvallend veel locals, toeristen zie ik weinig. Echter wel veel mannetjes die ‘come here, glass boat, cheap’ roepen, als je erop in gaat kom je in een boot met een glazen bodem te zitten en kun je op die manier het koraal bewonderen. Ik pas, we hebben gisteren immers al de hele dag op de boot gezeten.

Strand in Akaba, met Israël op de achtergrond.

De vlaggenpost is snel bereikt. Er omheen wordt veel gebouwd / gerenoveerd en ik vraag me af of ik hier wel mag zijn. Het is nog nét niet alsof ik een bouwplaats ben opgelopen, maar het zit er wel in de buurt. Ik loop weer terug naar het hotel om me klaar te maken voor de terugreis naar Amman. Volgens groepsgenoten zou Fort Akaba hier ook nog ergens gelegen hebben, maar achteraf denk ik dat ik (per ongeluk) de ingang voorbij ben gelopen. Die avond eten we in een van de luxere restaurants van Amman. Het hoofdgerecht is toch weer een mixed grill. Die is me gisteren goed bevallen, dus waarom hier niet. Het toetje is fruit en kleine zoete hapjes. ‘Part of the experience’ is blijkbaar dat ze het fruit voor je op je bord snijden en dat je je eerste hapje gevoerd wordt. Ik vind het allemaal een beetje overdreven, maar goed. Die avond spelen we nog wat spelletjes in het hotel.

Laatste maaltijd in Jordanië: mixed grill en gedeelde hapjes zoals rijst, khubz, hummus en frietjes

Ik slaap nog een nachtje in het hotel in Amman (waar we ook de eerste twee nachten verblijven). De volgende dag vliegen we terug. Maar ik ga over alleen de terugreis geen aparte blogpost meer schrijven. Daarmee komt mijn reis door Jordanië al weer ten einde. Het was een bijzondere reis, door een compleet ander landschap dan wat ik ooit gezien heb: droog, kaal en veel rotsachtiger dan ik had verwacht. De gids was oké, maar had de neiging om soms véél te véél feiten te vertellen en minder de ‘inside’ informatie die ik van een lokale tourguide zou verwachten. En de politieagent, zijn rol is me nog steeds een raadsel. In het begin kwam hij wat nors over, maar tijdens de reis verscheen er een steeds grotere glimlach onder zijn snor. De rit terug naar Amman zat hij onderuitgezakt tussen twee dames op de achterbank van de bus. Het tempo van de reis was véél te hoog, zeker in het begin, waar we van het een naar het ander hopten. Als we te veel treuzelden, riep Usama “Jalla! Jalla!”, wat Arabisch is en zoiets betekend als ‘let’s go’ of in het ergste geval ‘schiet op!’.

Als ik de reis opnieuw zou mogen maken zou ik één nachtje extra in Amman blijven om wat meer van Amman zelf te kunnen zien en de excursies naar Jerash en de Dode Zee over twee dagen te verdelen. Ook een extra nachtje in de Wadi Rum woestijn kan ik zeker aanbevelen. Akaba had wat mij betreft niet gehoeven, al gaf dat wel weer wat variatie aan de reis. Door het hoge tempo heb ik wél het idee dat ik alles heb gezien wat Jordanië te bieden heeft. Alle hoogtepunten in de woestijn! De Wadi Rum woestijn, het eten bij de familie in Petra en natuurlijk Petra zelf zijn mij het bij gebleven. Bedankt voor het lezen van mijn blog. Hopelijk hebben jullie genoten van mijn avonturen en wie weet, tot een volgende vakantie! 🙂

Dag 6: Wadi Rum, naar Akaba

Als mijn reis één dag langer zou mogen duren, had ik die dag hier het liefst in willen zetten. Gewoon een dagje om een beetje bij te komen, te genieten van de rust, te wandelen over de woestijnvlakte en inspiratie op te doen voor mijn verhalen, maar helaas, we moeten weer verder. We worden weer opgepikt (dit keer door slechts 3 jeeps, want met een beetje proppen past dat ook…) en we rijden in een klein half uurtje terug naar het bezoekerscentrum waar de bus al op ons staat te wachten. Daarna rijden we door naar Akaba. We maken één tussenstop in het centrum van Akaba waar de groep de mogelijkheid krijgt om bier te kopen. Ik blijf lekker in de bus zitten. Mijn uitgaven tijdens de Jordanië reis vielen wel mee, maar als je ervan houdt om af en toe een biertje te drinken moet je toch een beetje op je portemonnee letten. Bier wordt nauwelijks gebrouwen in Jordanië maar vooral geïmporteerd. De prijs voor één flesje kan al gauw oplopen tot 5 dinar (ca. 6,20 euro)!

Zonsopkomst in de Wadi Rum woestijn.

We komen aan bij een resort aan de oevers van de Rode Zee (dus niet de Dode). Daar stappen we aan boord van een jacht en varen we met Arabische muziek het water op. De muziek in Jordanië is (naar mijn mening) overigens niet heel spectaculair. Er zit weinig variatie in de muziek en als buitenstaander komt het voor mij over als een brei van Islamitische spreuken over een simpel melodietje. We krijgen flippers, snorkels en duikbrillen en mogen het water in. Dit schijnt een van de mooiste plekken te zijn ter wereld om te snorkelen en duiken. Ik sla over. Als ik mijn oren ook maar eventjes onderwater houd zitten ze daarna een dag dicht, bovendien ben ik de hele week al een beetje verkouden. Met de terugvlucht over twee dagen lijkt het me geen goed idee om te snorkelen. Ik ga wel het water in om een stukje te zwemmen. Dat valt overigens nog niet mee: ik ben niet gewend om te zwemmen met flippers, de stroming is behoorlijk sterk en de duikbegeleider heeft het tempo er behoorlijk inzitten.

Snorkelen in de Rode Zee: het water hier is helderblauw.

Vanuit de boot kun je vier landen zien liggen: in de verte nog net een stukje Saudi-Arabië, aan de overkant van de ‘zee’ zie je Egypte en voor ons uit Israël en natuurlijk Jordanië. De boot maakt drie stops om te snorkelen. Naast prachtige koraalriffen en vissen, kun je ook het wrak van een boot en zelfs een tank zien liggen! Er is helaas geen mooi verhaal over hoe deze tank op de bodem van de zee is beland: de tank (en de boot ook overigens) zijn daar ‘neergelegd’ om het toerisme naar Akaba te stimuleren. Tussen de tweede en derde snorkelstop wordt de barbecue aangezet en onze lunch is vis: het is de eerste keer (en ook zo’n beetje de eerste mogelijkheid) dat ik vis eet in Jordanië. Omdat Jordanië maar een kuststrook van 26 meter heeft, is vis (behalve in Akaba) vrij zeldzaam.

Specerijenwinkeltje in het centrum van Akaba.

Na de boottocht worden we naar het hotel gebracht. ’s Avonds eten we bij een restaurant met live muziek. Ik bestel de mixed-grill. De zanger zingt een tikkeltje vals en legt de klemtoon nét op de verkeerde plekken in de melodie: wat op zich best wel knap is. Na het eten geeft Usama ons nog een korte rondleiding door het centrum van Akaba. Bij een specerijenwinkeltje regelt hij met de eigenaar dat we mogen proeven. Daarna gaan we terug naar het hotel.

Dag 5: Little Petra & Wadi Rum

Gelukkig komt er vanaf vandaag een beetje meer rust in het programma. We hoeven pas om negen uur bij de bus te zijn. Niet veel later rijden we weg uit Wadi Musa, op weg naar de volgende Wadi: Wadi Rum. Maar voor het zo ver is maken we eerst nog een tussenstop bij Little Petra. Net als het ‘big’ Petra wandel je eerst door een Siq naar binnen. Deze Siq is met zo’n 5 meter lengte echter een schijntje vergeleken bij de Siq in Petra. Daarachter zijn ook hier uitgebeitelde kamers en graftombes uit de tijd van de Nabateeërs te zien. De regels in Jordanië m.b.t. archeologische opgravingen zijn trouwens een stuk soepeler. In Europa zou alles met een hekje of lintje zijn afgezet. Hier mag je gewoon omhoog klimmen over de restanten van een 2000 jaar oude trap.

Impressie van Little Petra. De ‘holle’ vierkante ruimte links van de tempel was waarschijnlijk een waterreservoir.

Na Little Petra haalt de reisbegeleider onze lunch op. Bij een uitzichtpunt waar je in de verte nog net een stukje van Petra kan zien, kunnen we de lunch opeten. Er staat een gebouw met een souvenirwinkeltje op de begane grond. Ik volg de borden naar ‘Panorama View Terrace’, wat niet veel meer is dan een trap naar het dak van het gebouw en een stuk of drie plastic stoeltjes. Na de lunch rijden we verder naar Wadi Musa. We maken nog één tussenstop bij ‘Wadi Musa Station’: een locomotief en een paar reizigerswagons op een stuk spoor in het midden van de woestijn.

Wadi Rum, de rode kleur van het zand duidt op een hoog ijzergehalte.

Bij het bezoekerscentrum van Wadi Musa stappen we over van onze touringcar naar een 4-tal jeeps, waarmee we de woestijn inrijden. De buschauffeur blijft achter bij de bus, alleen Faresh en Usama gaan met ons mee. Na een stukje rijden is er niets anders meer te zien dan woestijn en rotsen. Als je de feestelijke muziek die onze jeep driver afspeelt, negeert, zou je je kunnen inbeelden dat je over Mars rijdt. We stoppen bij een tent voor thee en de tour guide daagt ons uit om door het mulle zand een gigantisch duin op te rennen (beetje à la Dune de Pyla voor wie het kent 😉 ). Het is een vermoeiende klim, maar het uitzicht (en het rennen naar beneden) maken het meer dan waard.

Eén van de gemeenschappelijke tenten in het tentenkamp van Wadi Rum. Onze host heet ons welkom.

We maken nog een paar tussenstops in de woestijn, o.a. voor een groepsfoto bij een kloof midden in de woestijn. Daarna rijden we naar een uitzichtpunt om de zonsondergang te bewonderen. Doordat de zon achter een berg zakt, blijft het daarna nog even licht. Wel verschijnt meteen de (volle) maan aan de hemel. We rijden door naar ons tentenkamp. Door een lange loper met aan beide kanten fakkel-achtige lampjes lopen we naar de gemeenschappelijke tenten. De rust, de leegte, de volle maan en de sfeer van het tentenkamp, geven het geheel een bijna magische ervaring. Wij zijn de enige gasten die nacht, op een familie na, uit… ja hoor… Nederland. Die avond krijgen we Zarb-dinner, een grote stellage met kip, aardappel en wortel die diep onder de grond is klaar gemaakt. Daarna gaan de speakers aan en dansen we op een mix van traditionele Jordaanse muziek en Nederlanstalige feestmuziek (zoals bijv. de Snollebollekes). De tent zelf is overigens een stuk minder primitief dan op internet is beschreven: er is gewoon elektriciteit en een normale badkamer met douche (alleen ijskoud water helaas). Van alle overnachtingen in Jordanië was dit misschien nog wel de meest luxe!

Dag 4: Petra

Vandaag is het tijd voor Petra! Eén van de hoogtepunten van Jordanië en op zichzelf reden genoeg om een reis naar Jordanië te maken. Voor we Petra ingaan krijgen we nog de nodige instructies van Usama. In Petra zullen we aangesproken worden door locals die ons vragen of we op ezel, kameel of paard door Petra willen rijden. Als je dat niet wilt moet je ‘nee’ zeggen. Als je zoiets zegt als ‘misschien later’ blijven de locals je net zo lang volgen met hun ezel tot je uit ongemakkelijkheid wel een ritje moet maken. En dan is het zo ver: we gaan op pad! Ik denk dat veel van mijn lezers wel ooit een foto van de schatkamer gezien hebben (zie hieronder), maar wat velen misschien niet weten (of niet realiseren) is dat Petra veel meer is dan alleen de schatkamer. De wandeling begint met een tocht door een nauwe diepe kloof, de Siq. Op plekken waar de Siq wat breder is, zijn graven uit de rotswand uitgehakt (een graf is te herkennen aan de urn boven de ingang). Ook leren we hier van het geloof van de Nabateeërs, de oude bewoners van Petra. Waar Grieken of Romeinen hun goden meestal afbeelden als menselijke wezens, beelden de Nabateeërs hun goden ook af als geometrische vormen, zoals een rechthoekig blok.

De schatkamer, door vele gezien als het hoogtepunt van Petra.

En daar is ie dan! Aan het eind van de Siq wordt de schatkamer zichtbaar! Een enorm bouwwerk. Omdat we vroeg zijn vertrokken, hebben we de plek bijna voor ons alleen. Dus alle tijd en ruimte om veel foto’s (en selfies) te maken. Alle bouwwerken die je in Petra ziet zijn met beitel uitgehakt, dat moet een hele operatie geweest zijn! Na de schatkamer neemt Usama afscheid van ons en mogen we zelf de rest van Petra verkennen. Ik sluit me aan bij een groepje meiden en we beginnen aan de klim naar het Monastery. Het is gelukkig nog niet al te warm. Het is pas ’s ochtends, al voelt het alsof we er al een halve dag op hebben zitten. Toch, is de klim behoorlijk vermoeiend. Na zo’n 45 minuten en zo’n 850 treden bereiken we het Monastery. Dit bouwwerk is minder gedetailleerd dan de schatkamer: godenbeelden en Korintische versiersels ontbreken, maar dat maakt hem niet minder mooi.

Het Monastery, gefotografeerd vanuit het terrasje waar we geluncht hebben.

We besluiten om ook hier te lunchen (ook al is het nog wat vroeg). Op het terras tegenover het Monastery ploffen we neer. Ik bestel een ‘cheese roll’, wat neer komt op een soort opgerolde tosti met kaas en een appelsap. Leuk feitje is dat de appelsap in Jordanië een stuk meliger en minder zoet smaakt dan de appelsap zoals we die in Nederland kennen. Ik denk dat ik de Nederlandse appelsap lekkerder vind, maar die uit Jordanië is zeker een aardig alternatief! Na de lunch gaan we terug naar beneden. De afdaling gaat een stuk makkelijker en met fris optimisme besluiten we nog een tweede klim te maken. Deze klim gaat via de Royal Tombs naar een uitzichtpunt over de schatkamer. De tweede klim is een stuk zwaarder dan de eerste: allereerst omdat we er al een klim op hadden zitten, maar ook omdat het nu een stuk warmer is: zo rond de 27-28 graden en ook al staat ook deze wandeling als 45 minuten en 850 treden aangegeven, toch lijkt het uitzichtspunt een stuk verder dan de Monastery. Maar uiteindelijk zijn we er dan. In een klein hutje van lakens en dekens worden we ontvangen en na bestelling van een drankje (koud uit de koelbox) mogen we foto’s en selfies maken van de Schatkamer van bovenaf. De tocht terug naar beneden en terug door de Siq naar ons hotel is zwaar. Het is pas twee uur, ik ben uitgeput, maar verlaat Petra wel met een voldaan gevoel. In de middag chillen we wat bij het zwembad van het hotel.

Impressie van het diner bij de familie. De hele familie helpt met de voorbereidingen, zo ook dit (beetje verlegen) meisje dat in haar pyjama (?) met veel plezier voor iedereen bakjes met salade neerzet.

In de avond worden we opgepikt door drie pick-up trucks en achterin de bak van de pick-up truck worden we naar een lokale familie in Wadi Musa gebracht waar we zullen dineren. De oorspronkelijke Jordaniërs zijn Bedoeïenen, nomadenstammen die door de woestijn trokken. Tegenwoordig zijn de meeste bedoeïenen meer gesetteld. Gastvrijheid is nog altijd een belangrijk onderdeel van hun cultuur en dat zie je terug in de grote hoeveelheid vluchteling die het land opvangt uit o.a. Syrië en Irak. De gastvrijheid zie je ook terug bij de locals. Als vreemdeling mag je jezelf zomaar* bij een random familie uitnodigen en daar zal je dan altijd als hun gast worden ontvangen (* het is wel gebruikelijk dat je een geschenk teruggeeft voor hun diensten). Er wordt koffie aangeboden. Soms besluit een gast om de koffie te weigeren. Dit is een teken dat er nog iets afgehandeld moet worden: bijvoorbeeld een zoon die met de dochter van het huis wenst te trouwen. In een aparte kamer worden dan de voorwaarden van het huwelijk besproken. Het schenken van de koffie is dan een teken dat de deal is gesloten. Na de koffie worden we naar een simpele keuken gebracht waar een oudere vrouw (van ik schat rond de 70 jaar) voor ons heeft gekookt: ‘Mansaf’. Dit is een pan met rijst, kip, wortel, aardappel en bloemkool die ondersteboven op een schaal wordt leeg gekiept en daarna met yoghurt en khubz wordt geserveerd. Na het eten worden we weer opgehaald en teruggebracht naar het hotel.

Dag 3: King’s Highway

Om zes uur ’s ochtends gaat de wekker al. Van ‘vakantie’ en ‘uitslapen’ heeft onze tour guide duidelijk nog nooit gehoord. Om zeven uur vertrekt de bus: vandaag is de reisdag van Amman naar Wadi Musa (bij Petra). We zullen rijden over de zogenaamde ‘King’s Highway’. Stel je daar overigens niet al te veel bij voor. Veel meer dan een licht kronkelende 2×1 geasfalteerde N-weg is het niet. Onze eerste tussenstop is Mt. Nebo. Gisteren hebben we Mt. Nebo al zien liggen vanuit de bus op de terugweg van de Dode Zee naar Amman. Volgens de Bijbel was dit dé plek vanuit waar Mozes het Beloofde Land zag liggen. En wat betreft de tour guide de ultieme kans om in de busrit het hele Nieuwe Testament voor te lezen… oké, ik overdrijf een beetje, maar zo kwam het wel op mij over. Usama is moslim, maar als tour guide in Jordanië moet je, volgens hem, én de Koran én de Bijbel kennen (én het een en ander van archeologie weten, geologie, flora en fauna van Jordanië, etc…)

Eén van de vele mozaïeken die in Mt. Nebo is te bewonderen, zo te zien met Griekse tekst.

Behalve het uitzicht over de Dode Zee bestaat Mt. Nebo uit een kerkje met daarin en omheen vele mozaïeken. Het is op zich aardig om een keer gezien te hebben, maar ik ben er al weer snel uitgekeken. Niet veel later brengt Usama ons naar een souvenirwinkeltje waar je volgens hem, in tegenstelling tot bij Jerash, wél ‘made in Jordan’ souvenirs kunt kopen. We krijgen live een demonstratie hoe een groepje vrouwen en één man, met de hand, mozaïeken maken. Daarna rijdt de bus verder naar Madaba. Ook hier weer een kerk en verschillende mozaïeken. Een paar van onze vrouwelijke groepsgenoten krijgt bij de ingang van de kerk een lang kleed aangereikt die ze aan moeten trekken voor ze naar binnen mogen. Korte broeken en rokken zijn in religieuze gebouwen in Jordanië een taboe.

6e-eeuws mozaïek in de kerk van Madaba: deze laat een plattegrond van Jordanië, Israël en Palestina zien. De grote blauwe vlek bovenin de kaart is de Dode Zee, de stad die je net links van midden ziet liggen is, als ik het me goed herinner, Jeruzalem.

We rijden iets verder met de bus, waar Usama uitstapt om lunch te halen en Faresh, de politieagent, uitstapt om een sigaretje te roken. Wij blijven in de bus zitten. Het duurt minimaal een half uur voor de tour guide weer terug is. De winkel was gesloten omdat de eigenaar bezig was met zijn middaggebed. We rijden nog een stukje verder naar een uitzichtpunt over de Wadi Moujib (‘wadi’ is overigens Jordaans voor ‘vallei’). Daar nuttigen we picknick-style onze lunch: Khubz (pita) met hummus en falafel, komkommers en tomaten (uit het vuistje). Net iets te enthousiast zet in mijn tanden in een tomaat die over mijn broek uitsplasht. Die mag thuis meteen de was in!

Impressie van het Kerak-castle. Deze ruimte deed ooit dienst als gevangenis.

In de middag komen we aan bij het Kerak castle, één oud, middeleeuws Kruisvaarders kasteel en wat mij betreft de highlight van vandaag. Dit kasteel telde ooit zeven verdiepingen, waarvan nu alleen nog de onderste paar (deels) in takt zijn. De crusaders van het ‘kingdom of Jerusalem’ verdedigen zich met dit kasteel tegen het leger van moslims onder leiding van Saladin. Terwijl je door het kasteel loopt krijg je een impressie van hoe ze hier leefden: de eetkamer, de keukens, leslokalen voor de kinderen. ’s Avonds komen we aan in Wadi Musa. Het avondeten is seekh kebab, omhuld door een dun laagje brood en geserveerd met frietjes en groenten. Daarna snel naar bed. De reisleider wil dat we om half 7 al (het wordt steeds vroeger!) klaar staan om richting Petra te gaan. Hoe eerder we vertrekken, des te meer tijd we hebben voor Petra!

Dag 2: Jerash, de Dode Zee en Amman

Na een krappe acht uur slaap gaat de wekker. Ontbijt in het hotel is niet heel bijzonder: veel verschillende soorten brood, maar allemaal behoorlijk droog en smaakloos, een selectie van smeerseltjes, yoghurt, komkommer, tomaatjes en een enorme selectie aan warm eten (iets waar ik op dit moment van de dag nog niet echt behoefte aan heb). Ik probeer een soort Jordaanse versie van Fetakaas, maar die was enorm zout, alsof ze het uit de Dode Zee geschept hebben. Na het ontbijt ontmoeten we Faresh, iemand van de ‘tourist police’ die de hele week met ons mee zal reizen. Waarom precies? Dat weet ik na mijn reis eigenlijk nog steeds niet… Met de driekoppige reisbegeleiding rijden we naar Jerash, zo’n 50 km ten noorden van Amman.

Hadrianus Arch in Jerash. Deze imposante poort werd gebouwd ter ere van het bezoek van keizer Hadrianus aan Jerash in de winter van 129/130 na Christus.

Voor we in Jerash aankomen waarschuwt onze Tour Guide voor de lokale verkopers. Wat ze proberen te verkopen is wel ‘handmade’, maar niet in Jordanië. ‘Made in China’, grapt hij. En ja hoor, even later lopen we door een overdekte passage met souvenirwinkeltjes en de een na de andere verkoper spreekt ons aan: ‘come here’, ‘buy this’ etc. En op de een of andere manier ruiken ze dat we uit Nederland komen en even later horen we zelfs dingen als ‘allemachtig prachtig’ en ‘kijken, kijken, kopen’. Ik word er een beetje ongemakkelijk van, maar mijn groepsgenoten verzekeren dat dit nog niks is vergeleken bij India en Egypte waar de verkopers je gewoon hun winkel intrekken.

Jerash was oorspronkelijk een Griekse nederzetting, maar werd later door de Romeinen overgenomen, waarbij de namen van de Griekse goden werden vervangen door hun Romeinse equivalenten. Jerash wordt gezien als ’s werelds grootste en best-bewaarde Romeinse opgraving buiten Italië. Door de 22-meter hoge Hadrianus Arch (zie foto) betreden we het terrein. Via een renbaan, een oude waterput, een mozaïeken vloer en de, in vergelijking met de Hadrianus Arch, iets bescheidenere ‘South Gate’ komen we uiteindelijk bij de ‘Agora’, het centrale marktplein van de stad. Vanaf hier is het een klein stukje klimmen naar de South Theatre, een amfitheater met live muziek. Een paar locals bespelen twee trommels en… (je raad het niet) een doedelzak! Een van de reisgenoten is jarig vandaag en speciaal voor haar wordt ‘Happy Birthday’ gespeeld. Daarna dansen we op traditionele muziek onder leiding van Usama (de tour guide) een soort Jordaanse versie van de Sertaki.

Het South Theatre, de half-versleten trappen naar boven zijn verraderlijk steil, maar het uitzicht is zonder twijfel de moeite waard.

Na het South Theatre lopen we verder naar het noorden. De tour guide vertelt ons dat nog niet eens een derde van de stads is opgegraven. Het grooste deel van Jerash ligt nog onder de grond waarover wij lopen. Alle opgravingsprojecten in Jordanië zijn overigens tot nader onder stil gelegd sinds de uitbraak van het Coronavirus. We komen aan bij de Temple of Artemis. De tour guide legt ons uit dat Griekse tempels uit drie delen bestaan: een groot plein vóór de tempel voor normale burgers, de trap en de ingang van de tempel voor priesters en de ‘holiest of the holiest’ met het standbeeld van de god. We beklimmen de trap en betreden het heiligste deel van de tempel. Op de stenen waar ooit offers aan Artemis gebracht werden, liggen nu kleedjes met goedkoop uitziende sierraden en juwelen. Blijkbaar vond een van de locals dit de perfecte locatie om zijn souvenirwinkeltje te beginnen.

De Dode Zee. Aan de rand van het water staan twee emmers met modder uit de Dode Zee waarmee je je kunt insmeren (heb ik ook gedaan, maar helaas geen foto’s van). Volgens de gids maakt dit je vijf jaar jonger. Ik vraag me af wat er gebeurd als je pasgeboren baby’s met dit spul insmeert.

We lunchen die middag bij restaurant Artemis (lekker toepasselijke naam!), een fusie van de Italiaanse (?) keuken met de Jordaanse. Bij een buffet kun je dingen opscheppen zoals pasta’s en gehaktballetjes, maar ook Khubz (Jordaanse versie van pita) en Hummus (een van de specialiteiten van Jordanië). Daarna rijden we in ca. 2 uur door naar de Dode Zee. Met 430 meter onder NAP zijn de stranden van de Dode Zee het diepste punt ter wereld. En omdat de Dode Zee langzaam opdroogt komt dat punt per jaar ongeveer 0,5 meter lager te liggen. Het opdrogen is ook de reden van het zoutgehalte van de Dode Zee, volgens de gids het op-één-na zoutste meer ter wereld. (maar als ik na mijn reis op internet een factcheck doe kom ik de Dode Zee pas op plaats 7 tegen). Het water is bijna 10x zo zout als zeewater en daardoor blijf je drijven. Het is een hele gekke beleving: je loopt het water in en er lijkt in het begin nog niets aan de hand te zijn, pas wanneer je niet meer kunt staan, klap je ineens achterover en blijf je drijven op het water. Zwemmen is een stuk lastiger en eigenlijk ook niet de bedoeling.

De Grand Husseini Mosque, met aparte ingangen voor mannen en vrouwen. Van mannen wordt het gewaardeerd als ze naar de moskee komen om te bidden (al is dat niet verplicht). Bij vrouwen is het juist een minder gewenste actie als ze in de moskee komen bidden. De reistijd naar de moskee hadden ze immers ook kunnen gebruiken om de kinderen te verzorgen…

Het is al donker als we weer aankomen in Amman (de zon gaat al rond zes uur onder). Het is nog spitsuur en het valt me al snel op dat er in Jordanië 0 verkeersregels zijn: de bus werpt zich gewoon een rotonde op en gaat er vanuit dat de auto’s achter hem wel wat ruimte maken. Als we over willen steken, zo zegt de gids, moeten we dat gewoon doen en vooral niet wachten tot de auto’s voor ons stoppen.

We rijden naar het oude deel van de stad waar ik het tweede amfitheater van vandaag op de foto slinger. Ferash (de politieagent) komt hier twee andere agenten tegen en even later lopen we met drie agenten achter ons aan verder door Amman. De gids brengt ons naar de fruitmarkt: een stelsel van smalle straatjes waar verkopers niet alleen fruit, maar ook groenten en noten verkopen (en paars gekleurde bloemkool!?). Bij een van de winkeltjes blijft de gids even staan. Hij brabbelt wat in het Arabisch en regelt dat we mogen proeven. Na dit voorgerecht brengt hij ons naar het beste falafel en humus restaurant van Amman (tenminste dat is als je de lonely planet mag geloven). Aan de muur hangen foto’s van Jordaanse celebrities die in dit eenvoudig ogende restaurant hebben gegeten. We krijgen geen bestek. In Jordanië is het gebruikelijk dat je de Khubz, het ‘pita’brood dat bij bijna elke maaltijd wordt geserveerd, gebruikt als opscheplepel. Na het eten neemt de gids ons mee na een streetfood tentje voor een toetje: gesmolten kaas met baklava. Bijzonder, maar niet per se iets wat ik nog een keer zou willen proberen. Daarna worden we door de buschauffeur teruggebracht naar het hotel.

Dag 1: Aankomst Amman

Dit is het begin van een bijzondere reis: Jordanië. Het begon allemaal toen ik op internet zocht naar een bestemming voor mijn volgende groepsreis. Door Corona dacht ik in eerste instantie aan een bestemming in Europa, totdat mijn oog viel op een zinnetje op de site van Shoestring: ‘helaas kunnen wij geen reizen aanbieden m.u.v. reizen naar Europa en Jordanië’. De reis sprak me aan en de meeste deelnemers die al geboekt hadden waren van mijn leeftijd, dus waarom niet?

Buitenwijken van Amman, een foto die ik eigenlijk pas de volgende dag zal maken, maar alvast een eerste impressie van het landschap van Jordanië

Al snel ontmoet ik een deel van de groep bij het ontmoetingspunt op Schiphol. Met een hele papierwinkel aan Corona-formulieren check ik in bij de balie van Royal Jordanian. Beetje-bij-beetje komen we steeds meer medereizigers tegen: een paar achter de douane, een paar bij de gate, weer een ander in het vliegtuig en een deel pas bij aankomst op de luchthaven in Jordanië. Online had ik al een seat uitgekozen, eentje aan het raam zodat ik naar buiten kan kijken. In het vliegtuig blijkt dat het in-flight entertainment system van deze seat kapot is. Heb ik weer! Nu weet ik wel waarom dit nog de enige beschikbare window seat was. Gelukkig weet ik me de krappe 5 uur te vermaken met de Lonely Planet die ik heb meegenomen.

In de avond landen we in Amman. Na nóg een Corona-checkpost, maar nog vóór de douane zie ik een man met een bordje ‘Shoestring’. Niet onze gids, ik zal ‘m maar het vliegveld-mannetje noemen. Hij heeft blijkbaar de taak om groepen door het vliegveld te leiden. Nét voor de paspoort controle neemt hij onze paspoorten in, en via een speciaal poortje worden we om de paspoort controle heen geleid naar de bagagehal. Technisch gezien ben ik dus zonder paspoort Jordanië binnengekomen! 😀 Mijn koffer heb ik snel gevonden. Daarna is het wachten op het vliegveld-mannetje. Pas na 40 minuten komt hij terug met onze, inmiddels gestempelde, paspoorten. Hij leidt ons naar buiten en bij een touring car neemt hij afscheid van ons. Dit is onze chauffeur, Abdoellah, die ons de hele reis zal rondrijden. We rijden van de luchthaven naar Amman. Onderweg stopt de chauffeur bij een tankstation waar een tweede man instapt. Hij stelt zich voor als Usama, de tour guide tijdens onze reis. Pas één uur geleden heeft hij afscheid genomen van zijn vorige groep en nu mag hij ons al weer verwelkomen!

Twee geiten achterin een pick-up truck, ach ja, waarom ook niet?

We worden naar het hotel gebracht en iedereen krijgt kamers toegewezen. Mijn kamergenoot en ik nemen de lift naar boven. Maar het pasje van onze kamer werkt niet! We gaan terug naar de receptie, waar ook een ander groepsgenoot klaagt dat zij de deur van haar kamer niet dicht krijgt. Wij juist niet open! De man achter de receptie typt wat in op zijn computer, houdt het pasje tegen een scanner en verzekert ons dat deze nu wel zal werken. Mijn kamergenoot houdt het pasje tegen de deur, een groen lichtje gaat braden en de deur gaat open. Hij doet het licht aan en ik werp een snelle blik in de kamer: er liggen wat dingen op de grond, het oogt wat rommelig. Dan trekt mijn kamergenoot van schrik de deur dicht. De kamer was al bewoond! Voor de derde keer terug naar de receptie. De man achter de receptie verontschuldigt zich en biedt ons een nieuwe kamer aan. Nog steeds ietwat verbijsterd gaan we terug naar boven en gaan we onze kamer naar binnen, dit keer gelukkig zonder andere hotelgasten.

Dag 21: vertrek Osaka

Die ochtend moeten we al vroeg opstaan, om onze vlucht rond het middaguur te halen. Na een simpel ontbijtje bij de seven-eleven (supermarkt), stappen we in een touringcar bus die ons in een krap uur naar Osaka Airport brengt. Onze route loopt over een enorm stelsel van viaducten boven de stad, misschien wel vier verdiepingen hoog. Osaka Airport zelf is ook een hele beleving. Het is het eerste vliegveld dat werd geopend op een kunstmatig aangelegd eiland, iets dat in Japan inmiddels een stuk gebruikelijker is geworden en een goede manier om ruimte te besparen. Ook heeft Osaka Airport de langste vertrek- en aankomsthal. Nadat we ingecheckt zijn en door de douane zijn gekomen volgt een ritje met een zelfrijdend shuttle-busje naar onze vertrekgate.

Op de terugvlucht vliegen we in volle lengte over Noorwegen. Wat je uit het raam van het vliegtuig ziet zijn geen wolken maar de Noorse fjorden onder een stralend blauwe hemel.

Eén ding is zeker. Ik kan terugkijken op een zeer geslaagde Japan-reis! Mijn hoogtepunten zijn Tokyo, Kyoto, Himeji, Nara en Miyajima. Ook de overnachtingen in typisch Japanse accomodaties waren zeker een aanrader. Verder heb ik genoten van het lopen van de postroute, de herfstkleuren bij Yudanaka en Kyoto, de kraterwandeling bij Mt. Aso en de Nederlandse invloeden in Nagasaki. De oorlogsmusea en vredesparken van Hiroshima en Nagasaki waren ook zeer indrukwekkend en must-visits voor iedere Japan-reis. Er is ook nog héél veel wat ik niet heb kunnen zien. Als ik de kans krijg ga ik zeker een keertje terug naar Japan! Een greep uit de plekken die ik nog graag een volgende keer zou willen zien:

  • Tokyo! o.a. het Imperial Palace heb ik nog niet gezien. Senso-ji in de avond. En gewoon het hectische stadsleven ervaren in deze bruisende metropool.
  • Nikko, een groep tempels in een natuurgebied met prachtige watervallen, een populaire trekpleister ook onder de Japanners zelf
  • Het kasteel van Matsumoto, de Black Crow Castle, net als Himeji een van de oorspronkelijke kastelen van Japan, en deze wordt met zijn zwarte kleur vaak als de tegenhanger van Himeji gezien.
  • Kanazawa met zijn prachtige landschapstuin.
  • Kamikochi, een populair bergresort in het hart van de Japanse Alpen
  • Kersenbloesems in de lente
  • Hokkaido, het noordelijke eiland van Japan, vol met ruige natuur, en een vakantie op zichzelf waard.
  • Shikoku, het op-drie-na grootste eiland van Japan en o.a. bekend van de pelgrimsroute.
  • Okunoshima, een klein eiland vol met tamme konijnen
  • Kurashiki, een oud Ventiaans-ogend stadje met kanalen en pakhuizen.
  • Naoshima, een eiland met moderne kunst.
  • In Kyoto heb ik het idee dat ik nog niet eens een kwart van alle bezienswaardigheden heb gezien, waaronder bijvoorbeeld Giouji Temple die bekend staat om zijn mos-tuin.

Het was een prachtige vakantie. Bedankt voor het lezen van mijn blog. Hopelijk hebben jullie genoten van mijn avonturen!

Dag 20: Kyoto

Kyoto, als ‘culturele hoofdstad’ van Japan, stikt van de toeristen. Maar gek genoeg verspreiden die toeristen zich wel heel plaatselijk. De ene tempel is stikdruk, de andere tempel (die ernaast ligt) lijkt bijna uitgestorven. Dat terwijl ze beide even mooi zijn. En ook qua toegangsprijs zijn de tempels gelijkwaardig. Vandaag bezoeken we het Higashiyama District. Via internet heb ik wat tips opgezocht om de toeristische mensenmassa te omzeilen en juist de meer verborgen ‘secret spots’ op te zoeken.

Ginkaku-ji, ook wel bekend als het ‘Silver Pavilion’.

We beginnen in het noorden van Hagashiyama met de Silver Pavilion. Qua structuur lijkt het gebouw bijna op het Golden Pavilion dat we gisteren hebben bezocht. Alleen in tegenstelling tot de Golden Pavilion is deze tempel gewoon wit (niet bekleed met zilver zoals de naam doet vermoeden). Dat maakt de tempel helaas wel minder bijzonder, maar daarmee ook een stukje minder toeristisch.

Impressie van het Philosopher’s Path. Aan het pad zitten kleine winkeltjes en restaurantjes die o.a. groene-thee softijs verkopen.

We volgen het Philosopher’s Path: een wandelpad door het Hagashiyama district, langs een kanaal. In de lente staat het hier vol met kersenbloesems, maar ook in de herfstkleuren is het prachtig om het Philosopher’s Path te bewandelen. Vanuit dit pad klim ik omhoog naar de gratis-te-bezoeken Honen-in Tempel. De met mos-gemaskeerde toegangspoort heeft een wat sprookjesachtige uitstraling. Op het terrein van de tempel liggen twee zandsculpturen: zandhopen waarin patronen zijn geharkt. Buiten de tempel zijn een soort langwerpige kristallen stenen te bezoeken en even verderop ligt een bijzondere begraafplaats waar houten stokjes uit de graven omhoog steken als een soort verentooi.

Kristalachtige zen(?)-blokken bij de Honen-in Tempel.

Ik loop verder over het Philosopher’s Path. Bij een stenen brug over het kanaal zit een man. Met bladeren en bloemen heeft hij kleine bootjes geknutseld. Hij spoort toeristen aan om een bootje te pakken en het in het water te gooien. Een andere man even verderop speelt op een steel drum. Er hangt een gemoedelijke en creatieve sfeer in dit deel van Kyoto. De volgende tempel die ik bezoek is de Nanzenji Temple. Wat vooral erg indrukwekkend is aan deze tempel is het stenen aquaduct bij de ingang van de tempel.

Oud aquaduct bij de ingang van de Nanzenji-tempel.

Het Philosopher’s Path loopt ten einde. Ik kom uit bij de Keage Incline, een voormalige boothelling, waarin schepen door een kanaal over rails omhoog getrokken werden. Vooral het uitzicht is hier mooi, het voormalige, nu met groen bedekte kanaal dat uitmondt in een betonnen bak die nu dienst doet als vijver. Na de lunch loop ik naar het zuidelijk deel van Higashiyama.

Een enorme rode toori over de weg, midden in Kyoto in de buurt van Kyoto Zoo.

Hier bezoek ik misschien wel de mooiste tempel van mijn Japan-reis. De Shoren-in tempel is vooral bijzonder door de interactie van de tempel met de omliggende tuin. Op de ‘veranda’ van de tempel geniet ik van het uitzicht. Daarna loop ik een wandeling door de tuin. Zoals wel bij meer vijvers in de Japanse tuinen, stikt het ook hier van de Koi karpers.

Koi Karpers in de vijver van de Shoren-in Tempel.

Het wordt al snel donker. Maar ik besluit toch nog een paar kleinere tempels te bezoeken (nu kan het immers nog!). Helaas is de batterij van mijn telefoon leeg, dus op een paar foto’s met mijn iPad na, heb ik hier niet meer veel foto’s van kunnen maken. De Entoku-in is een stelsel van gangen en trappen die uitmondt in een kleine zen-tuin. In deze tempel kun je ook je eigen zen-tuintje maken in een soort mini-zandbak met kiezelstenen en een speelgoed-hark. Het ‘Ryozen Kannon’, is een gedenkmonument van de Tweede Wereldoorlog. Helaas is het al gesloten als ik aan kom (sommige tempels/tuinen gaan al om 4 uur dicht), maar toch lukt het mij nog om met mijn iPad een foto te maken vanaf de parkeerplaats van (de bovenkant van) het enorme onoverdekte Buddha beeld.

Ryozen Kannon, een reusachtig Buddha beeld, gefotografeerd vanaf de parkeerplaats.

Die avond eten we met de hele groep onze laatste Japanse maaltijd. Omdat ik nog een behoorlijke hoeveelheid yens over heb, besluit ik om wat minder zuinig aan te doen. De maaltijd is een soort stoofpot, waarin, voor onze neus vlees wordt klaar gemaakt. Hier bedanken we ook de reisleidster voor het op zich nemen van de reisorganisatie en we wisselen de laatste reisverhalen en reisfoto’s met elkaar uit. We keren terug naar het hotel, voor de laatste overnachting van de Japan-reis.

Dag 19: Kyoto

Na bijna drie weken Japan begint de tempelmoeheid waar in veel Japanse reisgidsen over gesproken wordt, een beetje toe te slaan. Maar Kyoto, de stad van de tempels, heeft toch nog een paar pareltjes die mijn verwachtingen hebben weten te overtreffen. Een van die tempels is de ‘Golden Pavilion’: een iconische tempel midden in een meer bedekt met bladgoud. Het is alleen jammer dat het zo toeristisch is. Voor je een kaartje kunt kopen moet je een minuut of tien in de rij staan en vervolgens moet je je een weg banen door de mensenmassa om het perfecte fotoplekje te kunnen veroveren. Maar eerlijk is eerlijk, het is de moeite waard, deze tempel had ik niet willen missen!

Kinkaku-ji, ook wel bekend als de ‘Golden Pavilion’. Nadat je je door drommen toeristen hebt heen gewurmd krijg je dit uitzicht op deze fotogenieke tempel.

We stappen in een van de overvolle stadsbussen van Kyoto en met een overstap bij een klein lokaal busstation, komen we aan bij de volgende bestemming: Ryoanji Temple een zen-tempel die bekend staat om zijn rotstuin. In een aangeharkt grindbed liggen vijftien rotsblokken. Het idee is dat, waar je ook staat, je altijd slechts veertien rotsblokken tegelijkertijd kan zien. Als je ze alle vijftien tegelijkertijd zou kunnen zien heb je de verlichting bereikt. Mag je daarbij je hoofd draaien, vraag ik me af? Anders kun je vanaf rechtsvoor nét nog alle rotsblokken op links zien terwijl ook het rechtsachter verstopte rotsblok tevoorschijn komt. En telt het als je van de rotsblokken een panorama-foto maakt en ze zo alle vijftien tegelijkertijd aanschouwt?

Panaroma-foto van de vijftien rotsblokken in de zen-tuin van de Ryoanj Temple.

Opnieuw nemen we de bus, nu naar een van de meest westelijke wijken van Kyoto. Arashiyama ligt aan de rand van Kyoto bij de ingang van een kloof. De natuur is hier prachtig. We steken de Togetsukyo Bridge over en weer terug. Waar Arashiyama bekend om staat is de Arashiyama Bamboo Groove een bos met metershoge bamboebomen. Het heeft wat mystieks. Ook hier weer enorme massa’s toeristen. Tip als je hier komt: loop een ommetje en ga aan de achterkant bij de Bamboo Groove naar binnen. Het is hier nét even wat rustiger, al scheelt het niet veel.

Arashiyama Bamboo Groove

Halverwege de Bamboo Groove ligt de ingang naar de Tenryu-ji tempel. Zoals bij de meeste tempels in Japan, moet je ook hier weer je schoenen uittrekken voor je de tempel bezoekt. Over een soort overdekte loopbrug loop ik zo’n 100 meter (op sokken) naar de naastgelegen schatkamer. Dat vind ik zo grappig aan de Japanse tempels: hoe sommige tempels bestaan uit een aaneengesloten stelsel van looppaden die je kunt bewandelen zonder ook maar een keer je schoenen weer aan te hoven trekken.

Altaar in de Tenryu-ji Tempel

Via de drukke dorpsstraat loop ik terug naar de bushalte. Dan sta ik ineens oog in oog met Nijntje! Nijntje, of Miffy zoals ze in Japan heet, is echt razend populair. In Tokyo (grijpkast), Nagasaki (Holland-bord) en Himeji (op een bus) had ik haar ook al gezien, maar deze bakkerij vol met Nijntje-hapjes spant de kroon! Het is dat de reisgids stevig doorloopt en dat we nog iets leuks voor de boeg hebben, anders had ik zeker een Nijntje geprobeerd!

Een Nijntje-banketbakkerij in Arashiyama. Bijna te lief om op te eten, toch?

Die avond gaan we naar een Japanse voorstelling. In ongeveer een uur tijd worden er kleine stukjes typisch oud-Japanse kunst getoond: o.a. bloemschikken, poppenspel en een dansende geisha. Je mag foto’s maken, maar met de zaalverlichting en vanaf rij 10 zijn die niet echt goed gelukt. Al die lichtgevende mobieltjes, geroezemoes en toeristen die zelfs door de zaal lopen doen wel wat afbreuk aan de traditionele Japanse voorstelling. In een komische tussen act schiet ik in de lach. Geen idee wat de Japanse spelers allemaal zeggen, maar de beeldtaal en de intonatie van de woorden zeggen meer dan genoeg. De twee Japanse boeren proberen uit een kom saké te drinken, maar doordat ze vastgeketend zijn komen ze in de meest rare poses uit, al met al zorgt het voor een komisch tafereel!

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag