Na een krappe acht uur slaap gaat de wekker. Ontbijt in het hotel is niet heel bijzonder: veel verschillende soorten brood, maar allemaal behoorlijk droog en smaakloos, een selectie van smeerseltjes, yoghurt, komkommer, tomaatjes en een enorme selectie aan warm eten (iets waar ik op dit moment van de dag nog niet echt behoefte aan heb). Ik probeer een soort Jordaanse versie van Fetakaas, maar die was enorm zout, alsof ze het uit de Dode Zee geschept hebben. Na het ontbijt ontmoeten we Faresh, iemand van de ‘tourist police’ die de hele week met ons mee zal reizen. Waarom precies? Dat weet ik na mijn reis eigenlijk nog steeds niet… Met de driekoppige reisbegeleiding rijden we naar Jerash, zo’n 50 km ten noorden van Amman.

Voor we in Jerash aankomen waarschuwt onze Tour Guide voor de lokale verkopers. Wat ze proberen te verkopen is wel ‘handmade’, maar niet in Jordanië. ‘Made in China’, grapt hij. En ja hoor, even later lopen we door een overdekte passage met souvenirwinkeltjes en de een na de andere verkoper spreekt ons aan: ‘come here’, ‘buy this’ etc. En op de een of andere manier ruiken ze dat we uit Nederland komen en even later horen we zelfs dingen als ‘allemachtig prachtig’ en ‘kijken, kijken, kopen’. Ik word er een beetje ongemakkelijk van, maar mijn groepsgenoten verzekeren dat dit nog niks is vergeleken bij India en Egypte waar de verkopers je gewoon hun winkel intrekken.
Jerash was oorspronkelijk een Griekse nederzetting, maar werd later door de Romeinen overgenomen, waarbij de namen van de Griekse goden werden vervangen door hun Romeinse equivalenten. Jerash wordt gezien als ’s werelds grootste en best-bewaarde Romeinse opgraving buiten Italië. Door de 22-meter hoge Hadrianus Arch (zie foto) betreden we het terrein. Via een renbaan, een oude waterput, een mozaïeken vloer en de, in vergelijking met de Hadrianus Arch, iets bescheidenere ‘South Gate’ komen we uiteindelijk bij de ‘Agora’, het centrale marktplein van de stad. Vanaf hier is het een klein stukje klimmen naar de South Theatre, een amfitheater met live muziek. Een paar locals bespelen twee trommels en… (je raad het niet) een doedelzak! Een van de reisgenoten is jarig vandaag en speciaal voor haar wordt ‘Happy Birthday’ gespeeld. Daarna dansen we op traditionele muziek onder leiding van Usama (de tour guide) een soort Jordaanse versie van de Sertaki.

Na het South Theatre lopen we verder naar het noorden. De tour guide vertelt ons dat nog niet eens een derde van de stads is opgegraven. Het grooste deel van Jerash ligt nog onder de grond waarover wij lopen. Alle opgravingsprojecten in Jordanië zijn overigens tot nader onder stil gelegd sinds de uitbraak van het Coronavirus. We komen aan bij de Temple of Artemis. De tour guide legt ons uit dat Griekse tempels uit drie delen bestaan: een groot plein vóór de tempel voor normale burgers, de trap en de ingang van de tempel voor priesters en de ‘holiest of the holiest’ met het standbeeld van de god. We beklimmen de trap en betreden het heiligste deel van de tempel. Op de stenen waar ooit offers aan Artemis gebracht werden, liggen nu kleedjes met goedkoop uitziende sierraden en juwelen. Blijkbaar vond een van de locals dit de perfecte locatie om zijn souvenirwinkeltje te beginnen.

We lunchen die middag bij restaurant Artemis (lekker toepasselijke naam!), een fusie van de Italiaanse (?) keuken met de Jordaanse. Bij een buffet kun je dingen opscheppen zoals pasta’s en gehaktballetjes, maar ook Khubz (Jordaanse versie van pita) en Hummus (een van de specialiteiten van Jordanië). Daarna rijden we in ca. 2 uur door naar de Dode Zee. Met 430 meter onder NAP zijn de stranden van de Dode Zee het diepste punt ter wereld. En omdat de Dode Zee langzaam opdroogt komt dat punt per jaar ongeveer 0,5 meter lager te liggen. Het opdrogen is ook de reden van het zoutgehalte van de Dode Zee, volgens de gids het op-één-na zoutste meer ter wereld. (maar als ik na mijn reis op internet een factcheck doe kom ik de Dode Zee pas op plaats 7 tegen). Het water is bijna 10x zo zout als zeewater en daardoor blijf je drijven. Het is een hele gekke beleving: je loopt het water in en er lijkt in het begin nog niets aan de hand te zijn, pas wanneer je niet meer kunt staan, klap je ineens achterover en blijf je drijven op het water. Zwemmen is een stuk lastiger en eigenlijk ook niet de bedoeling.

Het is al donker als we weer aankomen in Amman (de zon gaat al rond zes uur onder). Het is nog spitsuur en het valt me al snel op dat er in Jordanië 0 verkeersregels zijn: de bus werpt zich gewoon een rotonde op en gaat er vanuit dat de auto’s achter hem wel wat ruimte maken. Als we over willen steken, zo zegt de gids, moeten we dat gewoon doen en vooral niet wachten tot de auto’s voor ons stoppen.
We rijden naar het oude deel van de stad waar ik het tweede amfitheater van vandaag op de foto slinger. Ferash (de politieagent) komt hier twee andere agenten tegen en even later lopen we met drie agenten achter ons aan verder door Amman. De gids brengt ons naar de fruitmarkt: een stelsel van smalle straatjes waar verkopers niet alleen fruit, maar ook groenten en noten verkopen (en paars gekleurde bloemkool!?). Bij een van de winkeltjes blijft de gids even staan. Hij brabbelt wat in het Arabisch en regelt dat we mogen proeven. Na dit voorgerecht brengt hij ons naar het beste falafel en humus restaurant van Amman (tenminste dat is als je de lonely planet mag geloven). Aan de muur hangen foto’s van Jordaanse celebrities die in dit eenvoudig ogende restaurant hebben gegeten. We krijgen geen bestek. In Jordanië is het gebruikelijk dat je de Khubz, het ‘pita’brood dat bij bijna elke maaltijd wordt geserveerd, gebruikt als opscheplepel. Na het eten neemt de gids ons mee na een streetfood tentje voor een toetje: gesmolten kaas met baklava. Bijzonder, maar niet per se iets wat ik nog een keer zou willen proberen. Daarna worden we door de buschauffeur teruggebracht naar het hotel.
Wederom een leuke beschrijving van jullie tweede dag in Jordanië. Had die politieagent niet de belangrijke rolom om jullie op een drukke straat veilig naar de overkant te loodsen? 😉
LikeLike